En waarom je beter achteruit kunt lopen.

Ik heb niet veel op met spiritualiteit. Aan m’n inzet kan het niet liggen, want ik heb een heleboel vol overgave geprobeerd. Ik heb het licht in mij het licht in m’n ruftende buurvrouw laten groeten tijdens intensieve yogasessies, ik heb een groot deel van mijn brakke studentenleven gespendeerd aan het doorgronden van Astro-tv en ik heb zelfs onlangs nog meegedaan aan een meditatie challenge van Deepak Chopra (da’s toch wel een beetje de Beyonce van de spiritualiteit dus had moeten werken) maar het mocht niet baten. Toen ik tijdens een cursus mindfulness, die ik een blauwe maandag volgde, moest omschrijven hoe een oude krent in mijn hand aanvoelde en het antwoord ‘als een oude krent’ toch niet helemaal de bedoeling bleek heb ik me stilletjes teruggetrokken uit de wereld waarin ik wellicht een spirituele versie van mezelf zou ontdekken. Het lukt me gewoon niet, spiritueel zijn. Misschien ben ik te veel uit de klei getrokken, of gewoon niet geduldig genoeg, dat kan ook. Toch had ik laatst iets wat verdomd veel op een spirituele openbaring leek en dat kwam allemaal door iets wat ik las.

Stel, het leven is een tijdlijn. Dat wat nog niet geweest is – de toekomst – ligt voor je, dat wat er nu gebeurt (en nu) is dat rode cirkeltje op verweerde plattegronden: ‘ u bevindt zich hier’ en dat wat is geweest – het verleden, natuurlijk – ligt achter je. Het is een logisch beeld voor velen denk ik. Je beweegt je naar de toekomst toe. Al onze handelingen impliceren dat ook: je rijdt vooruit en ook als je rent, of strompelt voor mijn part, dan is je blik gericht op waar je heen gaat, dan doe je dat vooruit, die onzichtbare toekomst tegemoet. Daar dachten de oude Grieken dus heel anders over. Die vonden dat helemaal niet logisch, je richten op iets wat je onmogelijk kunt zien of controleren. Daarom gingen zij uit van een mensbeeld waarin de mens achteruit loopt: richting de toekomst, maar met de blik op het verleden. Fascinerend niet? Ik vond het een ontzettende geruststellende gedachte en ga vanaf nu (en nu) proberen dat voor altijd te onthouden. Het betekent namelijk dat we kunnen stoppen met nadenken over waar we naar onderweg zijn, naar meer willen (want dan willen we in de toekomst natuurlijk nog meer), stoppen met proberen te controleren waar je per definitie nooit controle over hebt. Als ik het nu even niet meer weet, of word overweldigd door keuzes waar ik de uitkomst niet van weet, dan draai ik me om. Ik trek onbevreesder, minder ongeduldig en minder angstig de voordeur open en begin aan een nieuwe dag. Met m’n rug naar de toekomst. Ik kijk wel even hoe het loopt.

In plaats daarvan kijk ik terug. En opzij. Ik zwaai naar m’n buurmensen onderweg die ook allemaal geen flauw benul hebben waar ze naar op weg zijn en kijk terug op wat ik allemaal al bereikt heb, op wat ik allemaal al heb. Ik leef niet voor het weekend (dat deden we gelukkig al een tijdje niet meer) en beschouw de dag gewoon als dag. Voor zover dat lukt stoppen we met het tellen van uren, van weken, dagen of jaren. We geven ze geen naam. We zijn überhaupt de enige sukkels die dat lijken te doen. Ik ken geen koe in de wei die harder kauwt omdat het zaterdag is en geen vogel die extra hard fluit omdat het vijf uur is geweest. Die toekomst, die komt wel joh, daar struikel je vanzelf een keertje over. Of niet natuurlijk, dat kan ook, maar ook daar heb je niets over te zeggen en dan heb je in ieder geval niet kostbare uren, dagen, jaren van je leven gespendeerd in proberen te plannen waar je misschien helemaal nooit aan zal komen.
Nou, how’s that for a stevig robbertje spiritualiteit op de maandag? Heb je helemaal geen oude krent voor nodig.Gelukkig lijkt het er op dat covid-19 (of, zoals wij hem liefkozend genoemd hebben, ‘ die klootzak’) de zon nog niet heeft aangetast en dus zullen we met z’n allen moeten blijven proberen al die zomerse verleidingen te weerstaan zodat we straks dubbel kunnen genieten van die koperen ploert. Een ding is zeker: de wereld weet niet wat haar zal overkomen als we straks weer de bloemetjes zoals nooit tevoren buiten zullen zetten. ,Zuipen als een rugbyteam,’ zoals een goede vriendin zou zeggen, de gemeenschappelijke dorst was nog nooit zo groot. 
Met ons gaat het overigens goed. Heel goed. We missen het kraken, het piepen, het wilde en het vrije van de bus, maar we genieten ook van alle luchtkastelen die nu eindelijk een beetje handen en voeten krijgen. Eindelijk die plannen uitwerken, eindelijk de rust om eens een beetje door te pakken. Tien uur achter elkaar schrijven is nu eenmaal net wat makkelijker als er onbeperkt stroom uit de muur komt en je niet na hoeft te denken over een veilige slaapplaats of een plek om te poepen. De tijdelijkheid van deze gemakken maakt het bijzonder, doet de voorpret groeien. Elke dag die we afsluiten met een kus is een dag dichterbij de terugkeer naar ons rommelige busleven. Er komen goeie dingen aan, we voelen het! En zo niet dan toch. De lente kan het sowieso niets schelen. was zoals jullie weten van korte duur: shit hit the fan. En nu zijn we weer terug, ook thuis.